Ata Kandó

I shall use my time. Het is een quote van haar lievelingsschrijver, Jack London en nu ook de titel van een expositie van haar werk in het Nederlands Fotomuseum in Rotterdam. De 103-jarige Hongaars-Nederlandse fotografe Ata Kandó had geen betere naam kunnen kiezen voor een juiste weergave van haar indrukwekkende, bewogen leven. “Ik zou nog zoveel meer willen beleven.”

Ata Kandó:
“Ik heb nog altijd het diepe gevoel dat ik niet klaar ben”

“Ik vind de tijd vreselijk snel gaan. Hoe ouder ik word, hoe sneller het gaat, zo voel ik het.” Ata Kandó neemt hoofdschuddend een slok van haar rode wijn. Ze zit in haar leren stoel in haar appartement in het landelijke Bergen, Noord-Holland. De voeten in een elektrische slof, een dekentje over de benen. “Ik zit in mijn 104de levensjaar. Ik vind het een wonder dat ik het heb gehaald, kan het niet geloven eigenlijk”, zegt ze bedachtzaam. Ze praat langzaam, maar in onberispelijke, afgeronde zinnen met Franse en Engelse woorden tussendoor. Het klinkt haast poëtisch. “Het is voor mij bijna niet waar, ik voel mij geen 103.” Haar ogen glimmen, als ze breed moet lachen om haar eigen gevatte grapjes. Ze staan serieus als Kandó vertelt dat ze tot haar grote spijt steeds slechter is gaan zien en niet meer kan fotograferen. “Ik zou nog ontzettend graag foto’s maken, maar het gaat niet meer.”

Budapest

De in 1913 geboren Kandó groeide op in een bijzondere tijd. Tijdens haar opleiding aan een kunstacademie in Budapest, haar geboortestad, valt een medestudent, Gyula Kandó, voor haar voeten van een ladder af bij het inrichten van een tentoonstelling. Met hem trouwt ze. Het stel reist samen heen en weer tussen Parijs en Budapest, en ontmoet onderweg andere kunstenaars en intellectuelen. Bij een affichewedstrijd winnen Ata en Gyula een camera: een Voigtländer met 6×9 glasnegatieven. Kort daarna legt Ata haar penselen weg, en kiest ze voor de fotografie. “Ik kreeg die camera en dan moet je ook fotograferen natuurlijk”, glimlacht ze. Het klinkt als een romantisch bestaan, maar de loop van de geschiedenis zorgt ook voor veel tragiek in haar leven. Zo neemt de Tweede Wereldoorlog Kandó’s enige, jongere zus van haar weg. Een paar dagen nadat de vrede getekend wordt verlaat de negentienjarige Ica het huis en stapt ze op een landmijn. “Het was het verdrietigste in mijn leven”, vertelt Kandó. “Ik maakte kort ervoor een foto van
haar die me heel dierbaar is geworden. Het is mijn favoriete portretfoto, en ook professioneel gezien misschien wel het mooiste portret dat ik ooit heb gemaakt.”

Twee wereldoorlogen

In haar appartement in Bergen is bijna geen lege plek op de muren te vinden. Overal hangen Kandó’s foto’s. Veel in zwart-wit en vooral van familie. Tussen het glazen blad van de tafel midden in de woonkamer zitten nog meer familiefoto’s geklemd van haar drie kinderen, zeven kleinkinderen en tien achterkleinkinderen. Kandó woont er inmiddels twintig jaar. Een fractie van haar leven. “Ik had geen makkelijk leven, daardoor kan het niet zijn gekomen dat ik zo oud ben geworden. Alhoewel, misschien word je sterker van moeilijkheden. Twee wereldoorlogen, twee revoluties, zoveel ellende. Ja, misschien is dat het.” Haar drie kinderen krijgt ze samen met Guyla midden in de Tweede Wereldoorlog: een jongen en tweelingmeisjes. Het stel gaat in het verzet en helpt verscheidene Joden aan valse identiteitsbewijzen. Later, Guyla is inmiddels al overleden, worden hun namen als eerbetoon op de Klaagmuur in Jeruzalem geschreven. Na de bevrijding woont het gezin in Parijs, waar de vrede het maar niet wil winnen van de armoe. Guyla gaat terug naar Hongarije. Het plan is om er werk te vinden. Ata gaat niet mee, als Gyula geen werk kan vinden zal hij weer naar Parijs komen. Maar dan valt
het IJzeren Gordijn en Ata staat er alleen voor in Parijs.

Bruiloftsfoto’s

“Het was moeilijk om zo hard te moeten werken als alleenstaande moeder”, vertelt ze. “Ook omdat vrouwelijke fotografen in die tijd niet echt geaccepteerd waren. Fotografen moesten man zijn.” Ze kreeg geen werkvergunning in het discriminerende, naoorlogse Frankrijk en werkte illegaal. “Voor een vluchteling was deze bijna niet te krijgen. Dat maakte het bijna onmogelijk om te overleven.” Ze maakte bijvoorbeeld foto’s van kinderen uit gegoede gezinnen in de parken van Parijs. “En ik verdiende mijn geld met straatfotografie voor kerken. Dat ging zo: als pasgetrouwde echtparen de kerk uit kwamen stond ik samen met wat andere fotografen klaar op de trappen om foto’s te maken van het bruidspaar en de familie. Diezelfde avond probeerden we dan onze foto’s te verkopen op het huwelijksfeest. Op die trappen was het een getrek en een geduw van jewelste. Daar stond ik dan tussen, als enige vrouw. Ik kan me herinneren dat ik een keer hard ben gevallen met mijn camera. Ik moest echt mijn mannetje staan.”

Ed van der Elsken

Niemand minder dan de Hongaars-Amerikaanse Robert Capa, fotograaf en één van de oprichters van Magnum Photos, biedt haar kort daarna een baan aan bij de pas opgerichte vereniging van fotografen. Ze mag er in het laboratorium gaan werken. Daar, het is inmiddels 1950 en Kandó is gescheiden van Guyla, ontmoet ze de jonge Nederlandse fotograaf Ed van der Elsken. De twee trouwen, ondanks het leeftijdsverschil van twaalf jaar. Kandó helpt Van der Elsken met het ontwikkelen van zijn foto’s, steunt hem in al zijn werk. Toch, kort na de bruiloft en hun verhuizing naar Nederland scheiden ze. “Wij wisten allebei dat het niet voor eeuwig was. Ed was een boyfriend. Mijn zoon was maar tien jaar jonger dan hij en het boterde niet tussen die twee.” Kandó bleef daarna alleenstaand. “Ik wilde daarna ab-so-luut niet meer trouwen!” Ze schaterlacht, maar kijkt dan snel weer serieus. “Mijn doel was zelfstandig zijn, verder met mijn carrière en doen wat ík wilde, niet wat de ander wilde. Gelukkig voel ik me niet zo snel alleen, nog steeds niet.”

Preuts Parijs

Na de scheiding van Van der Elsken neemt Kandó haar kinderen, Madeleine, Juliette en Tom, mee naar Zwitserland en Oostenrijk. “Er was eigenlijk geen geld voor, maar ik vond dat mijn kinderen recht hadden op vakantie, en daarom gingen we liften.” Hier maakt ze van hen de feeërieke, bijna magische foto’s voor haar meest bekende boek: Droom in het Woud. “Ik fotografeer graag kinderen, omdat ze fotogeniek zijn en lief. Ik vind dat ze nog écht zijn.” De zwart-wit taferelen van de kinderen met bloemenkransen en zwoele blikken in het berglandschap zouden door ieder andere fotograaf kitsch zijn vastgelegd. Kandó maakt er een stijlvolle droom van. Het boek is een succes, maar er is ook ophef over. “In preuts Parijs wilden ze Droom in het woud niet uitgeven. De meisjes hadden nog geen borsten, maar stonden met ontbloot bovenlijf op de foto en de Franse media vonden dat het met seks te maken had. Ik was daar heel boos over, voor mij was dat werk totaal poëtisch en innocent, als in een sprookje.” Later schoot Kandó freelancefoto’s bij de grote Franse modehuizen als Dior en Balmain waarvoor haar kinderen ook model stonden. Die foto’s verkocht ze in binnen- en buitenland. Ook maakte ze een fotoboek over Homerus Ulysee met hen in de hoofdrol en een door haar zoon Tom geschreven tekst. “Mijn lievelingsboek, omdat we het samen, met z’n vieren maakten, als familie.”

Vluchtelingen

Haar grote doorbraak volgt een paar jaar na Droom in het Woud, met het verschijnen van een fotoboek over de Hongaarse revolutie. In 1956 hoort Kandó dat de Russen de Hongaarse revolutie neerslaan en dat duizenden van ‘haar mensen’ op de vlucht zijn. “Deze mensen, veel met kinderen, moesten het land uit. Ze waren in levensgevaar, zouden geëxecuteerd worden als ze niet weg zouden gaan. Het enige wat ik toen kon denken was: ze moeten geholpen worden, en wat kan ik doen voor mijn compatriots, voor mijn landgenoten? Het enige wat ik goed kan doen, is fotograferen.” Kandó wil naar de grens, op reportage. Ze wil de vluchtelingen vastleggen en daarmee om aandacht en hulp vragen. “Ik ben alle fotografen die ik kende gaan bellen, omdat ik niet alleen durfde. Niemand wilde mee, behalve fotograaf Violette Cornelius. Die zei: als jij een uitgever vindt, dan ga ik mee.” De Bezige Bij schenkt haar vertrouwen en de twee vrouwen reizen voor twee weken af naar de grens van Oostenrijk met Hongarije. Ze fotograferen veel kinderen in wanhopige gezinnen, reizend met het weinige dat ze mee konden nemen. Het boekje wordt een succes en zorgt voor een enorme golf van solidariteit onder het Nederlandse volk. “Binnen een maand was het uitverkocht! We haalden een half miljoen gulden op.”

Echte fotografie

De winst van het boek gaat naar vluchtelingenkinderen in Nederland, waarvan Kandó er ook een paar in huis neemt. “Dat was een beetje problematisch”, glimlacht ze. “Mijn dochters waren in puberty en die jongens waren geïnteresseerd in ze. Maar het was het juiste ding om te doen.” Kandó is sowieso idealistisch. Ze zegt het de plicht van de professionele fotograaf te vinden om de dingen vast te leggen “die anders verdwijnen” en waar mensen dan niks van afweten. “De enige manier om zo goed mogelijk te laten zien hoe iets geweest is, wat voor moordpartij, verdriet, wanhoop er heeft plaatsgevonden, is om er een foto van te maken of het te filmen. Als je dat niet doet, verdwijnt het in de historie. Mensen die hele goede foto’s maken, van objecten of landschappen, zijn misschien goede fotografen, maar ze zijn niet compleet. Mensen en gebeurtenissen fotograferen, dát hoort bij echte fotografie. Dat is mijn mening.”

Jaloezie

In de jaren zestig geeft Kandó onder meer les op de Hogeschool voor de Kunsten in Utrecht. Nog steeds praat ze graag met jonge fotografen. “Ze zeggen dat ik ze inspireer. Ik wil graag met ze praten, ze zijn welkom voor een bezoek.” Ook maakt ze in deze tijd een, naar eigen zeggen, levensveranderende reis naar Zuid- Amerika. Kandó wordt uitgenodigd door een Parijse mannequin, Barbara Brändli, die ze nog uit haar Parijstijd kent en fotomodel is geweest. Haar man is de assistent van de beroemde architect Le Corbusier en komt uit een indianenstam in Zuid-Amerika. Kandó raakt door de stamgenoten gefascineerd en reist twee keer naar Zuid-Amerika om er verschillende indianenstammen te fotograferen. “Deze mensen hebben mijn karakter, mijn opinie en vooral mijn culturele opvoeding veranderd. Bij de indianen heb ik bijvoorbeeld gezien dat vrouwen in polygame relaties even gelukkig zijn als in monogame relaties, en misschien wel gelukkiger.” Veel problemen in onze cultuur komen door jaloezie, aldus de fotografe. “Vroeger was ik zelf jaloers, heel vervelend. Maar dat kennen ze daar helemaal niet. Als een vrouw daar meer dan een jaar getrouwd is met een man en hij heeft nog geen tweede vrouw genomen, dan klaagt ze: waar blijft mijn zuster, ik heb veel teveel werk te doen in mijn eentje!”

Nooit klaar

In de jaren zeventig verlaat Kandó Nederland voor Amerika, voor haar gezondheid en om dichter bij haar zoon te wonen, maar in 2001 keert ze terug. De tentoonstelling I shall use my time is mede opgezet door goede vriend en fotograaf Koos Breukel. Hij ontmoette haar in Bergen, waar hij destijds ook woonde. “Ik zag in het lokale “suffertje” dat ze erheen verhuisde en kon het bijna niet geloven. Ik moest haar ontmoeten en fotograferen.” Kandó hoeft niet zo nodig voor de camera te staan, maar laat het toe. “Ik vind het afschuwelijk dat ze foto’s van mij willen nemen. Blijkbaar zijn mensen in mij geïnteresseerd en willen ze ouderdom vastleggen.” Ze denkt even na. “Ik snap het ook wel. In Zuid-Amerika ontmoette ik een hele oude vrouw, zo zag ze er in elk geval uit. Ze had tien zonen verloren en had van het verdriet diepe rimpels in haar gezicht gekregen. Die foto werd prachtig. Maar als het over mijzelf gaat vind ik het minder leuk en een beetje confronterend.” Ze nipt aan haar wijn.

Glimmen

“Ik heb nog altijd plannen waar ik geen tijd voor heb gehad om ze klaar te spelen, wil mijn tijd nog steeds gebruiken. Dat heb ik volop gedaan in mijn leven, maar ik heb het diepe gevoel dat ik nog niet klaar ben en nooit klaar zal zijn. Het is lastig om het over the past te hebben, omdat ik soms nog zoveel toekomst wil. Maar ik hoorde gisteren nog over twee vrouwen die 116 jaar oud zijn.” Haar ogen glimmen. “Nou, dat ben ik nog lang niet.”

Ata Kandó,
17 september 1913 geboren in Budapest

1928: Gyula Kandó ontmoet op de Bortnyk kunstacademie in Budapest.


1932: Met haar echtgenoot Gyula Kandó naar Parijs.


1936-1938: Studie fotografie in Budapest.


1938: Terug naar Parijs, hier is ze onder meer illegaal straatfotograaf en fotografeert ze in parken veel kinderen van welgestelde ouders.

1940: Worden door de oorlog gedwongen Frankrijk te verlaten en keren terug aar Hongarije.


1941: Zoon Thomas wordt in Budapest geboren.


1943: Tweeling Madeleine en Juliette geboren in Budapest. In de oorlog Zijn Gyula en Ata actief in het verzet in Hongarije en helpen o.a. Joden aan valse documenten. Hiervoor krijgen ze in 1996 (Gyula postuum) de Yad Vashem onderscheiding. Vlak na de vrede in 1945: Zus Ica overlijdt door een landmijn.


1949: Gyula gaat terug naar Hongarije om werk te vinden. Door Het IJzeren gordijn kan hij niet terug naar het Westen. Ata blijft alleen in Parijs met de drie kinderen.


1948: Robert Capa regelt voor Kandó een baan bij Magnum Photos.


1950: Bij Magnum ontmoet Kandó Ed van der Elsken.


1953: Ze scheidt van Guyla en trouwt met Van der Elsken.


1954: Ze scheidt van Van der Elsken en reist naar Oostenrijk en Zwitserland voor Droom in het Woud. Ook maakt Kandó foto’s voor Nederlandse bladen bij bekende Franse modehuizen.


1956: Russische inval in Hongarije. Het fotoboek dat Kandó hierover maakt met Violette Cornelius brengt een half miljoen gulden op. Het is Kandó’s doorbraak.


1959-1975: Geeft les op de HKU in Utrecht en op de AKI in Enschede.


1961-1965: Kandó gaat in naar Zuid-Amerika en de Amazone om indianen te fotograferen.


1979-1999: Woont in Amerika.


2001: Verhuist terug naar Nederland naar Bergen NH.


2004: Fotoboek “Calypso and Nausicaa”, Homer’s Odyssey, verschijnt.


2006: Diverse tentoonstellingen in Nederland en Hongarije en reistentoonstellingen m.b.t. 50 jaar Hongaarse revolutie door Europa en Amerika.